elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: afhangen

afhangen , [hellen, glooien] , afhangen , ofhangen , hellen, glooien.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
afhangen , aafhange , hóng aaf, haet of is aafgehange , afhangen, ’n Deur aafhange: een deur inpassen en afhangen. Dat hink dervan aaf, wie ’t waer oetvilt: dat hangt van het weer af.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
afhangen , ofhangen , zwak werkwoord, onovergankelijk , 1. naar beneden hellen, glooien Dat land hangt aordig of naor de de mao toe (Sle), Wie hebt dat stuk grond naor het zuden ofhangen laoten (Bco), Niet zo haard fietsen, want het hangt hier of (Bal), Dat dak begunt slim of te hangen (Die), Nog even de deure ofhangen voorzien van scharnieren (Dwi), (bijv.) Een ofhangend pad (Hgv), Welke [sommige] Belgse peerde hadden een ofhangende kont (Pdh) 2. afhankelijk zijn Of het deurgiet, dat hangt van hum of (Gro)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
afhangen , òfangen , hellen, afhangen (timmermansuitdrukking)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
afhangen , ofhangn , 1. afhankelijk zijn. Zie wil niet van de femilie ofhangn. 2. afhangen. (Sluitend maken van een deur.) ’t Slot nog uuthakkn dan is disse deure ofehangn.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
afhangen , ofhangen , werkwoord , 1. glooien, een hellend verloop hebben 2. overhellen, uitsteken en daardoor overhangen 3. afhankelijk zijn van
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
afhangen , aafhange , 1. afhangen 2. afhankelijk zijn van , De tummerman mót de vuuerduuer nog kómme aafhange.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
afhangen , aafhânge , werkwoord , hingtj aaf, hóng aaf, aafgehânge , afhangen
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal