elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: afloop

afloop  , aafluip , afloop.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
afloop , aafloup , mannelijk , afloop; einde.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
afloop , afloeëp , afloop, einde van iets.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
afloop , ofloop , de , 1. afloop, slot Wij drinkt een borrel op de goeie ofloop (Bal), Nao ofloop kow wal even bij je langs (Sle), Nou, op de goeie ofloop! (Nam) 2. helling, glooiing (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) Wij hebt achter het huus nogal wat ofloop; aj daor een wagen hen wilt zetten, maaj wel een stien veur het rad leggen (Bro), (fig.) Hij hef de geut goud op ofloop lust graag een borrel (Row), Hie hef het mooi op ofloop in zien hoesholding heeft het goed voor elkaar (Dal), Hie hef de boudel mooi op ofloop de zaak goed voor elkaar (Eel)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
afloop , ofloop , zelfstandig naamwoord , de; afloop
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
afloop , aafloup , afloop
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal