elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: aflopen

aflopen , ofloopen , (bedrijvend) = iemand in een wedstrijd op schaatsen of bij eene harddraverij overwinnen; no 3 het no 4 ofloopen (bij paarden ook: ofreden), nō mouten no 3 en no 8 tegen kander loopen (of ook: rieden); Zoo gebruikt men ofspeulen (afspelen) bij een wedstrijd op het biljart.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
aflopen , ofloopen , (klemtoon op: loo) = den weg loopend afleggen; dat ken wie nijt ofloopen, den mou’ve moar mit snik goan. Zie: ofrekken.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
aflopen , ofloopen , in: iemand ofloapen loaten = ofrōffeln = afsnauwen, een bits antwoord geven en daardoor beschaamd maken; Kil. yemanden afloopen, Oostfriesch êne aflopen laten = grof behandelen. – eerappels ofloopen loaten = het water onder de pas gekookte aardappelen laten wegloopen. – den is ’t ofloopen, zooveel als: nu is er niets meer aan te doen, aan te praten, wij moeten er nu maar in berusten.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
aflopen , ofloupe , werkwoord , Aflopen, in de zegswijze ’t loupt m’n of as water, gezegd als men hevig de diarree heeft.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
aflopen , aafloupe , leip aaf, haet of is aafgeloupe , aflopen. Alles aafloupe: overal heengaan om iets te krijgen. Dao löp ’m ’n aaf: nu heeft hij een gekke bui.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
aflopen , [op bezoek gaan] , oflopen , op bezoek komen, b.v.: kom ’s oflopen = kom eens op bezoek.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
aflopen , oflopen , leup of, of elopen , aflopen; * win oe niet op, ie mut ok nog weer oflopen: maak je toch niet zo druk.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
aflopen , oflopen , sterk werkwoord, (on)overgankelijk , 1. aflopen, eindigen Het feest was um ien uur oflopen (Hoh), Is dat gezeur gauw oflopen! (Bui), Het löp of mit hum hij is stervende (Hgv) 2. afhellen Oes tuun lop aordig of, het geet naor het leeg in (And), De geut mot oflopen, aans woj het waoter niet kwiet (Gas) 3. afgaan, aflopen De wekker is oflopen (Ros) 4. lopend afleggen Hie hef het hiele jachtveld oflopen en niks vangen (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
aflopen , afgelóópe , afgelopen , Héij klotterde van’t dak af, mér’tis goed afgelóópe, héij hit’ter niks van oovergehaauwe, héij mekiirde niks. Hij viel van het dak af, maar het is goed afgelopen hij heeft er niets van overgehouden, hij mankeerde niets.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
aflopen , oflopen , werkwoord , 1. weglopen, zich lopend verwijderen 2. geheel lopen, ten einde lopen 3. zich begeven naar 4. naar beneden lopen 5. van stapel lopen 6. naar omlaag vloeien of doen vloeien 7. hellen, glooien 8. ten einde lopen 9. stoppen, ophouden 10. op een bep. manier eindigen 11. het einde vormen, het gevolg zijn 12. z’n grens, limiet hebben 13. door erin te lopen doen verslijten, bijv. schoenen oflopen 14. beginnen te ratelen, te zoemen e.d. 15. niet langer werken, ophouden, bijv. De klokke is oflopen 16. heel veel lopen 17. kalmeren 18. overal langs lopen, naar iedereen of elke relevante plek lopen 19. tijdens een draaiende beweging los raken 20. van een koe: lang dragen voordat het dier kalft
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
aflopen , oflôôpe , werkwoord , lôôp of, liep of, ofgelôôpe , aflopen
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
aflopen , aofloüpe , werkwoord , aflopen , (stad en land aflopen) laand en duerp aofloüpe VB: Ich heb laand en duerp môtte aofloüpe vuur dat sjtöfke te veende; moeite (doén) zich 't hert aofloüpe (zie 'lopen') VB: Ich heb mich 't hert môtten aofloüpe vuur aal vêrdig te kriége vuur 't fèt.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
aflopen , aafloupe , werkwoord , luîptj aaf, leep aaf, aafgeloupe , aflopen, op sterven liggen, vergezellen
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal