elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: afschuiven

afschuiven , aafsjuuve , sjuufde aaf, haet of is aafgesjuuf , afschuiven.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
afschuiven , ofschoem , scheuf of, of eschöam , afschuiven.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
afschuiven , ofschoeven , sterk werkwoord, overgankelijk , 1. afschuiven Schoef mie de badde is even of draai mij de brug even af (Vtm), (fig.) Hij wil de schuld van zuk ofschoeven (Klv), Die raore gedachten moej van je ofschoeven (Eex), Ze hebt het wark mooi van zuk ofscheuven en het bestuur der veur laoten opdrèeien (Odo) 2. geld geven, betalen Die is zo knieperig, die wil niks ofschoeven (Zwin), Hij schöf niks of, hij zit vaast aan het geld (Dwi), De koper van het huus mut mit een maond ofschoeven (Uff) 3. bewerken van de baggerlaag met een schoever (Zuidoost-Drenthe, Noord-Drenthe), z. ook ofschrieven
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
afschuiven , ofschoeven , werkwoord , 1. door schuiven verwijderen 2. de baarmoeder naar buiten laten komen 3. geld geven, dokken 4. zich onttrekken, niet uitvoeren, een ander laten doen of voor iets laten opdraaien 5. van zich afzetten 6. door te gaan schuiven afglijden
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
afschuiven , aofsjtaove , werkwoord , sjtaofde aof, afgesjtaof , afschepen , (ruw afschepen) aofsjtaove VB: Ich haw 't 'm vreuntelik gevraog en toch woerd ich aofgesjtaof.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
afschuiven , ofskoeven , (werkwoord) , afschuiven.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
afschuiven , [afschuiven] , aafsjuve , 1. afschuiven, de schuld aan iemand anders geven 2. geld toestoppen
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal