elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: afspringen

afspringen , ofspringen , (klemtoon op: sprin); ik ken’t nijt ofspringen = zoover kan ik niet springen en moet dus op eene andere wijze trachten aan den overkant te komen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
afspringen , aafsjprénge , sjpróng aaf, haet of is aafgesjprónge , afspringen.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
afspringen , ofspringen , werkwoord , 1. met een sprong naar beneden komen 2. met een sprong zich verwijderen van 3. met één of meer sprongen op iemand afschieten 4. afketsen 5. veel dekken door een hengst, bijv. Die oolde hingst moet nogal wat ofspringen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal