elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: afstoten

afstoten , ofstôte , werkwoord , Ook: uitstoten, de beginstoot maken (biljartterm).
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
afstoten , aafsjtoote , sjtootde aaf, haet of is aafgesjtoote , afstoten.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
afstoten , afstoken , ofstoken , controle van de rijksambtenaar om te kijken of de aangifte van de alcoholopbrengst van een brander juist is. 'Overmaat' en 'ondermaat' werden met een boete bestraft. Men sprak ook wel van 'OFSTOKEN'.
Bron: Feelders, Paul (1991), ‘Van gistkladder en ouwetijer. Iets over het Schiedamse dialect’, in: Scyedam, het blad van de historische vereniging 17, 4-12
afstoten , ofstoten , sterk werkwoord, overgankelijk , 1. afstoten Wij hadden een ko, die har maor één hoorn, de aandere haren ze hum ofstoten (Bei) 2. verstoten Dat laom is ofstöt, die moet wij opzeigern (Anl)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
afstoten , ofstoten , werkwoord , 1. van zich wegduwen met een stoot 2. van zich afhouden, verstoten 3. met een stoot van iets scheiden, verwijderen 4. naar beneden stoten 5. opgeven, van de hand doen 6. niet als onderdeel van het lichaam aannemen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
afstoten , [afstoten] , aafstoeate , afstoten
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal