elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: afzetter

afzetter , åfzetter , mannelijk , afzetter; ook: een gereedschap van een turfgraver
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
afzetter , aafzëtter , mannelijk , aafzëttesj , aafzëtterke , afzetter.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
afzetter , ofzetter , de , ofzetters , 1. afzetter Het is een lillijke ofzetter, hij weug altied te min of (Dwi), Hest mie dat ding ja veul te duur verkocht; bist ja een ofzetter (Erf) 2. dier dat de vrucht afzet Die koe is een ofzetter; die mot mar veur de slacht weg (Oos), Een ofzetter gef meistied niet veul melk (Row)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
afzetter , òfzetter , 1. afzetter; 2. dier dat te vroeg geboren wordt (Kampereiland, Kamperveen); 3. Gunninks woordenlijst van 1908: koe die te vroeg een kalf werpt
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
afzetter , ofzetter , zelfstandig naamwoord , de 1. iemand die anderen te veel laat betalen, afzetter 2. koe die lijdt aan abortus Bang 3. laatste bezoek 4. afzakkertje
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal