elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: anderdaags

anderdaags , [elke tweede dag, om de andere dag] , aanderdag , den anderen dag. Zie: anderdagsaovends.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
anderdaags , [onlangs, kort geleden] , sanderdaogs , onlangs. Gron. N.Holl. anderdoags = vóór eenige dagen, kort geleden, onlangs.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
anderdaags , anderdoags , (des anderen daags) = vóór eenige dagen, kort geleden, onlangs; ook Noord-Holland; anderdoagse koors (of: koorse) = koorts die geregeld om den anderen dag terugkomt; Zweedsch annandags frossa.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
anderdaags  , sanderendaags , den volgenden dag.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
anderdaags , saandrdaangs , bijwoord , de volgende dag
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
anderdaags , ’s ânderdaogs , (op) de volgende dag.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
anderdaags , sangerdaachs , de volgende dag.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
anderdaags , sanderdaags , de volgenden daag.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
anderdaags , sanderendaags , sanderendaengs , de volgende dag.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
anderdaags , aansdaengs , op andere dagen.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
anderdaags , ’s anderdaengs , de volgende dag.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
anderdaags , aanderdaags , aanderdags, aanderdag, anderdage , Ook aanderdags (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe), aanderdag (Zuidoost-Drents veengebied), anderdage (Zuidoost-Drents veengebied) = 1. onlangs (Zuid-Drenthe, Veenkoloniën, Kop van Drenthe) Aanderdaags leup hij hier nog langs (Wei), ’s Aanderdaegs heb ik hum nog eziene (Dwi) 2. de volgende dag Zundag was het min weer, maor anderdaogs was het weer gooud en dinsdags störmde het (Gas), Dat doun wie aanderdaogs wel (Oud) 3. binnenkort (Zuidwest Drenthe, noord), in ‘Ik kome ’s aanderdaegs wel ies langes’(Die)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
anderdaags , sanderdaags , bijwoord , (Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drents veengebied, Noord-Drenthe) = 1. de volgende dag Dat was nich veurige weke dunderdag, man sanderdaags, do hij dat zee (Bco) 2. onlangs Sanderdaags stund weer det hondtie veur de deure (Ruw) 3. eerdaags (Zuidwest-Drenthe, zuid) Ie zult er sanderdaags wel van heuren (Nije), z. ook anderdaags
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
anderdaags , sanderendaogs , de dag erna , Dé was nie 'smôndags mér sanderendaogs déw'we daor meej mekandere hènne gónge. Dat was niet op maandag maar de dag erna dat we daar met elkaar heen gingen.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
anderdaags , aanderdaegs , aanderedaegs, aanderdags, eredaegs, aeredaegs , bijwoord , en var. de; anderdaags, de volgende dag; ook de-woord, bijv. De eredaegs gong ik vot
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
anderdaags , [de volgende dag] , saanderdaags , de volgende dag
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
anderdaags , sâânderendags , de volgende dag.
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.
anderdaags , anderdaegs , (bijwoord) , de volgende dag.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
anderdaags , sanderendâgs , sanderdâgs , de volgende dag , Sanderendâgs moes ie al bèij d’n dokter trugkomme. De volgende dag moest hij al bij de dokter terugkomen.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
anderdaags , [volgende dag] , s aandren daags , de volgende dag
Bron: Gast, C. de (2011), ’t Boekske van de Aolburgse taol, Wijk en Aalburg: Stichting behoud Aalburgs dialect.
anderdaags , anderdaags , de volgende dag; andermaarns, de volgende morgen; andernaovens, de volgende avond (O.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
anderdaags , saanderdaogs , saanderdaags, saanderendaags, saanderendogs, sande , bijwoord , de volgende dag (Den Bosch en Meierij); saanderendaogs, saanderendogs; de volgende dag. (Tilburg en Midden-Brabant; West-Brabant); sanderendaags, sanderendaogs; de volgende dag. (Land van Cuijk; Eindhoven en Kempenland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
anderdaags , sangerdaags , sangerendaags , de dag erna
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal