elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: ang

ang , ang , (bijvoeglijk naamwoord) , Bang. || Wat is-i ang. Hoe ’t vlees te anger wert benert, hoe dat de Ziel te ryker wert, SCHAAP, Bloemt. (ed. 1724), 277.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
ang , ang , mannelijk , ange , éngke , pen. Ang en angloak: oude benaming voor pen en gat in houtverbinding.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
ang , ang , zelfstandig naamwoord vrouwelijk , ange , engske , houtverbinding , (bep. houtverbinding) ang VB: 'n ang ês 't oétênde van 'nne baalk dat ién e loëk van 'n aander sjtök hoüt sjtik.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
ang , [houten pen] , ang , (mannelijk) , pen van houtverbinding
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal