elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: antwoord

antwoord , antwoord , (onzijdig) , antwoorde , antwoord.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
antwoord  , antwaord , antwöördje , antwoord.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
antwoord , anjtwoort , onzijdig , anjtweurt , antwoord.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
antwoord , antwoord , het , antwoorden , antwoord Wij waacht al een weke op antwoord (Die), De brief die ik toen verstuurd hebbe, heb ik gien antwoord weer op kregen (Oos), Ik wil geern antwoord hebben op mien vraog (Wee), Geef daor nou mar ies antwoord op! wat zou je daar nu eigenlijk op moeten zeggen (Gee), Hij had der geen antwoord op wist er niets op te zeggen (Klv), Dat is gien antwoord op mien vraoge (Uff), Die hef het antwoord ok altied klaor (Schn), Dat gezeur is mij het antwoord niet weerd daar geef ik geen antwoord op (Noo), Dat kind is aid netties in taol en antwoord in het aanspreken en antwoorden (Scho), Dat is een geleerde baos, hij wet overal een antwoord op (Ndo)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
antwoord , antwoord , antwoord
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
antwoord , aanderd , anderd , zelfstandig naamwoord , et; antwoord
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
antwoord , antwoord , zelfstandig naamwoord , [O] aanwezigheid, gezicht Durrevie zijn dat in z’n antwoord te zegge? Durf je hem dat in zijn gezicht te zeggen?
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
antwoord , aantwoerd , zelfstandig naamwoord onzijdig , aantwoerde , - , antwoord , VB: 'n Vraog ês 'n aantwoerd wërd. VB: 'nne van aantwoerd dene: iemand op zijn nummer zetten
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
antwoord , antjwoeard , (onzijdig) , antjwoearde , antwoord
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
antwoord , ântwoord , ântwoeërd , zelfstandig naamwoord, onzijdig , ântweurd/ântwuuërd , eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); antwoord
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
antwoord , antwaord , antwäörd , antwäördje , antwoord
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal