elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: avance

avance , avans , voor: gelegenheid, vooral in zake vrijerij. Fransch avance = vooruitgang.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
avance , avanses , (Frans) avances, toenaderingen et cetera.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
avance , avvââns , in de uitdrukking: “da’s ginne n’avvââns”, “dat klopt niet”, “daar schieten we niets mee op”, afkomstig uit het frans: “avancer”, opschieten.
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.
avance , avvezaans , bijwoord , voorspoed (Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
avance , avvezaans , bijwoord , voortgang, vooruitgang; Cees Robben: dan bidde we nòg ene rôozekraans èn dès goed vur den avvezaans; Henk van Rijen: hij mòkt avvezaans - hij gaat vooruit; Uit lat. abundantia ?; A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): zelfstandig naamwoord vr. avancatie, vooruitgang, voortgang: 'Door zit niks geen avvecóosie in' (in het werk nl.); Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) – ABONDANCE - abondanse zelfstandig naamwoord vr. - overvloed: iets in - hebben; i:t in abondansen éme .J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): AB0NDANSIE (uitspr. abbendanse), in - : in overvloed
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal