elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: blikslager

blikslager , blikslager , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Ook als basterdvloek. || Wat blikslager! Te blikslager! – Wel blikslagers! Maak blikslagers gauw, dat je weg komme. – Ook elders (Utrecht, Gelderland, Overijsel) bekend.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
blikslager , blaeksjlaeger , mannelijk , blaeksjlaegesj , blikslager.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
blikslager , blikslager , de , 1. blikslager 2. uitroep Blikslaeger, nou heb ik de breef vergeten (Die)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
blikslager , blikslaeger , blikslager , zelfstandig naamwoord , de; blikslager
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
blikslager , bliksleêger , blieëkslieëger , zelfstandig naamwoord, mannelijk , bliksleêgers/blieëkslieëgers , bliksleêgerke/blieëkslieëgerke , eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); blikslager
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal