elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: blindeman

blindeman , blindeman , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Zegsw. Dat’s de blindeman de leeuwerik, dat is een onverhoopt buitenkansje. Vgl. het spreekwoord: Een blind man schiet wel een kray, SPIEGHEL (ed. VLAMING) 296.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
blindeman , blénjeman , mannelijk , blénjemèn , blénjemènke , blindeman. Blénjemènke sjpeele: blindeman spelen, zie: “Woordenboek van het Sittards dialect van P.J.G. Schelberg”, Kenjersjpeelkes, bladzijde 511.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal