elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bloemig

bloemig , bluimîg , troebel, in: ’t woater bluimig moaken (Westerwolde); bluimen, bloumen = met den pols in ’t water plonsen en roeren; bij ’t vischen. Zal wellicht staan voor: bloemig maken, kleuren.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
bloemig , bloumich , bloumigger, bloumichste , bloemig, los en kruimig van aardappelen, zie: bloume.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
bloemig , bloemig , bijvoeglijk naamwoord , bloemig, met bloem bedekt
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
bloemig , blommeg , bijvoeglijk naamwoord , bloemig Goeie blommege aerepels, êênen bonk blom Goede kruimige aardappels, één en al kruim Dazzun blommege maaid! Dat is een pronte meid!
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
bloemig , [bloemig ] , blomig , bloemig als gewas, bloemig bij meelproduct, kruimig van aardappel , Ei bintje is eine lekkere blomige aerpel.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal