elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bloemist

bloemist  , bloomis , bloemist.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
bloemist , bloumis , mannelijk , bloumiste , bloemist.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
bloemist , bloemmist , vakman die naast zijn kwekerij ook een winkel heeft waaruit hij de zelfgekweekte produkten en bijgekocht materiaal verkoopt.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
bloemist , blommis , zelfstandig naamwoord mannelijk , blommiste , - , bloemist , VB: Vreuger haws te 'nne blommis ién Groeselt dè z'n zäok de naom Fauna haw gegëve (mesjiens vuur 'r 't oongesiéfer wat op de blomme zaot).)
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
bloemist , [bloemverkoper] , blomis , blomist , (mannelijk) , bloemist
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
bloemist , blommist , zelfstandig naamwoord , bloemist; Kees & Bart (krantenrubriek 1922-193?): blommist
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
bloemist , blaomis , blaomiste , bloemist
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal