elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: blussen

blussen , blüssen , (zwak werkwoord) , blusschen.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
blussen , blösse , blösde, haet of is geblös , blussen; doven. Voor blussen van kalk gebruikt men “lësje” en voor het blussen van brand vaak “lösje”.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
blussen , blussen , zwak werkwoord, overgankelijk , blussen Doe a’k bij de braand kwame, doe waren ze al an het blussen (Ruw), Kalk blussen (Bui)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
blussen , blussen , blussen
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
blussen , blösse , werkwoord , blösde, geblös , blussen , VB: De braandweer haw de braand bênne 'n haf oor geblös.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal