elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: boes

boes , bous , mannelijk , bousje , bousjke , kabouter, ẹ Bousjke oppẹ taak, of: oppẹ zolder: een goede geest op dak of zolder.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
boes , boes , 1) schoof of bundel uitgedorst stro; 2) roggeschoof.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
boes , boes , zelfstandig naamwoord , plaats in de stal waar de koeien staan (LPW: Lop, Pols)
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
boes , [uitgelaten] , boes , uitgelaten , Zoea gek wie boes.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
boes , boes , bijwoord , recht, pal; boes väör die moel – 1. recht voor zijn raap 2. plat op de bek (zoenen)
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal