elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bommen

bommen , bommen , (bòmmə) , (zwak werkwoord, intransitief) , Stoten, bonzen. || Hij viel en bomde met zijn hoofd tegen de muur. Bom niet zo tegen me an. Ik heb op de deur ’ebomd, maar jollie hoorden niks. – In het Ned. heeft bommen een enkele maal de zin van met dreunend geweld vallen; de gewone betekenis is echter dof weerklinken; zie Ned. Wdb. III, 336.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
bommen , bomme , werkwoord , 1. Een bommend geluid maken, bonzen. | Hai begon op de deur te bommen. 2. Botsen. | Hai bomde teugen m’n op.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
bommen , bómme , bómze , bómde, haet of is gebómp/bómsde, haet of is gebóms , bonzen, zie ook: bómze.; bómze bonzen, zie: bómme
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
bommen , bómme , schelen. Waat kan ’t mich bómme: wat kan het mij schelen?
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
bommen , bommen , onbepaald werkwoord , in Het kan mij niks bommen kan mij niet schelen (Hol)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bommen , bommen , bammen, bammern , (Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook bammen, bammern (Midden-Drenthe), bammen (N) = knikkeren Bommen is met een iezern stuiter knikkers[vanaf de meet] oet een cirkel schieten (Bei), Muurtie bommen een stuiter tegen de muur gooien en zien welke het dichtst bij de muur bleef liggen (Hijk)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bommen , bommen , werkwoord , 1. bommen: iets kunnen schelen, in bijv. Dat bomt mi’j niks dat kan me niks schelen, raakt me niet 2. met een harde klap, met een bom vallen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
bommen , bomme , werkwoord , bom, bomde, gebomd , bonzen, stoten Hij bomde met z’n hôôd teege de wêêg Hij bonsde met zijn hoofd tegen de schutting
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
bommen , t kênt mich niks bomme , werkwoord , schelen , (dat kan me niet schelen) 't kênt mich niks bomme
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
bommen , [schelen] , bómme ,  bómdje, gebómdj , bommen, schelen, zie ook sjille , Det kan mich niks bómme.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
bommen , bäöme , werkwoord , bäömtj, bäömdje, gebäömdj , 1. hard en regelmatig op iets slaan 2. hard, ongericht schieten bij het voetballen ook blengere, vlemme
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal