elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bonjouren

bonjouren , bonzjoere , Lót ’m toch gaûw bonzjoere Laat hem toch gauw barsten! [Ove]
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
bonjouren , sjoere , joere , werkwoord , Bonjour zeggen, goedendag zwaaien met de handjes. | Doen maar effies sjoere nei tante. Vgl. Frans jour en bonjour.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
bonjouren , bonzjoere , bonzjoerde, haet gebonzjoert , bonjouren; verkwistend leven.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
bonjouren , bónzjoere , uitgaan , Ze wôrre zómér wa ôn't bónzjoere óp straot mér ze môkte'ner hil'wa lewaoj bè. Ze waren zomaar wat aan het uitgaan op straat maar ze maakten er veel lawaai bij.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
bonjouren , sjoere , werkwoord , sjoer, sjoerde, gesjoerd , [Fr, bonjour] zwaaien, groeten met de hand
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
bonjouren , bezjoere , goeden dag zeggen, af­ komstig van bonjour zeggen. flink uitgaan. in de uitdrukking: “iemand buite bezjoere”, “iemand hardhandig buiten zetten”.
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.
bonjouren , bollezjoere , uitgaan, feesten. zie ook “bezjoere”.
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.
bonjouren , zjoere , zwaaien, groeten in het voorbij gaan , ze zaag me lwôôpe en toen zjoerde ze = ze zag me lopen en toen zwaaide ze naar me-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
bonjouren , bonzjoêre , uitgaan, stappen
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
bonjouren , bezjoere , bonzjoere, sjoere, zjoere , werkwoord , het ervan nemen (Helmond en Peelland); bonzjoere; groeten, boemelen (Eindhoven en Kempenland); sjoere; afscheid nemen (Tilburg en Midden-Brabant); sjoere; kijken (Tilburg en Midden-Brabant); zjoere; wuiven om te begroeten (West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
bonjouren , bonzjoere , bonzjoertj, bonzjoerdje, gebonzjoerdj , 1. flink uitgaan, de beest uithangen 2. iemand eruit gooien , Zie höbbe gister ?ink gebonzjoerdj.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
bonjouren , bezjoere , werkwoord , bezjoertj, bezjoerdje, gebezjoerdj , boemelen zie ook buize
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
bonjouren , sjoere , zwak werkwoord , "Pierre van Beek – goeden dag zeggen; 'm smeren, ophoepelen; kijken; Pierre van Beek – Hij sjoert em - hij gaat ervandoor Sjoert em! - Smeer hem Sjoert daor is - Kijk daar eens; 'Hij heeft tegen mij gesjoerd' wat goeden dag gezegd door met de hand te zwaaien betekent. Dat zou dan afkomstig kunnen zijn van het vernederlandste Frans 'gebonjoerd'. Belzebub, dieën ploert, die is er toen mar gaaw van-tussen-deur gesjoerd. (Piet Heerkens; uit: Brabant, ‘De zaog van Sint Joozep’, 1941); ""Tot ziens!"" riep de mus en ze sjoert a-weer weg... (Leo Heerkens; uit De kinkenduut (Piet Heerkens), ‘De mus op m’ne kreugel’, 1940); Overigens ziet er voor ons al dat gesjoer weinig geestelijk uit. Het smaakt naar bargoens. Zoals verwacht vonden wij dan ook! ""Daar kwam de hele sjoert (ook sjoecht) meiden en jongens"". Dat wordt als bargoens gekwalificeerd. ""Sjoert"" betekent daar: troep, sleep of sliert. (TTP 128, 21 juni 1971). N.B. de bargoense wdbb. maken geen melding van dit woord. C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal – SJOEREN onov. ww - uitzwaaien, dag zeggen met het handje: 'sjoert 'm mèr dag'. Afgeleid v. d. laatste, beklemtoonde lettergreep v. 'bezjoer', bonjour. Vooral tegen kinderen gebruikt. A.P. de Bont – sú.re(n), zw.ww.tr. (kindertaal) 'sjoeren' (< bonzjoeren) - met het handje dag zeggen! Sjoert ze mär!; Sjoert em mär! Zie 'bònz’u.re(n); Haor 'Doe mèr mmi sjoere, sjoert ze mèr dag!; sjoert; gebiedende wijs van 'sjoere' kijk!; hoepel op!; sjoert em!, naajt em! - Hoepel op! Maak dat je wegkomt. Sjoert hum daor! - Kijk hem daar!; Geen infinitief? Ja, zie 'sjoere'; Ghijsen: sjoere(n) = loeren, gluren, turen; Spoelstra (Enkhuizen): sjoere = goedendag wuiven (van kleine kinderen); 'Doe maar sjoere teugen Opoe!'; Pannekeet (Westfries): sjoere, ww. bonjour zeggen, goedendag zwaaien met de handjes// Doen mar effies sjoere nei tante. Vgl. Fr. jour + bonjour."
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal