elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bont

bont , bont , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , vgl. schortebont.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
bont , boont , bijvoeglijk naamwoord , bont
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
bont , boont , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , bont
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
bont , bont , bijvoeglijk naamwoord , in de zegswijze van boven(en) bont, van onder(en) stront, spottend gezegd van opgedirkte vrouwen of van lieden met veel verbeelding of kale kak.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
bont , bónjt , bónjter, bónjtste , bont. Me nuimp gein kou bónjt of dao is waal ei flėkske drop: waar rook is, is ook vuur. Ich sjlaon dich bónjt en blau, ėste mich dat noch éns laps: ik sla je bont en blauw, als je me dat nog een keer levert (eigenlijk: blond, dat is geel
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
bont , bont , blunt , Ook blunt (Zuidoost-Drents veengebied) = bont Dat kind hef wal een bont klied an (Pdh), Het bonte goed hef moe net ewassen (Eli). Zo bont as een koe (Hgv), ... schrouwekster (Bei), ... okster (Eel), ... hond (Coe), Hij maakt het wel arg bont (Geb), Bij, bonte! opzij, tegen een bonte koe (Mep), Hij slöt zien kiender bont en blauw (Noo), Bonte grond gemengde grond, met verschillende kleuren (Odo) of: met grassen begroeid heideveld (Eex) of: mengsel van zand en veen (Ros) of: voor cultuur ongeschikte grond (Koe), Bont branden verbranden van de bovenste veenlaag voor de boekweitverbouw (bu), Bonte star aardappelras (Vri)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bont , bont , het , bont Tegenwsoordig wilt de vrouwlu gien bont meer dregen (Bov) *Van boven bont, van undern stront kleding van boven netjes, van onderen niet (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bont , bont , Brabants Bont, de rood-wit geblokte Brabantse vlag.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
bont , bont , bont
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
bont , bónt , bont , Van boove bónt, van óndere strónt. Van boven bont van onder stront. Gezegd van iemand die veel van uiterlijk vertoon houdt.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
bont , bont , zelfstandig naamwoord , et 1. bonte kleur 2. bonte stof 3. bont gemaakt van pels
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
bont , bont , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , bontkleurig; bonte krodde duizendknoopsoort met ‘bloedvlekken’ op de bladeren
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
bont , bonte , uitdrukking , bonte winter, bonte piet Tijdens een kwakkelwinter trekt de scholekster (bonte piet) niet naar het zuiden
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
bont , boont , bijvoeglijk naamwoord , bont , (bijv.nw en bijw.) VB: boonte sjtof ês neet éffe, meh hêt versjêllende kleure. Zw: Van boéte boont en van oonder sjtroont: schijn bedriegt
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
bont , bôônt , bont. in de uitdrukking: “ij slôôg um bôônt en blauw”, “hij sloeg hem bont en blauw”.
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.
bont , bont , bont um de kop, pokdalig.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
bont , bóntj , bont , Bekèndj staon wie eine bóntjen hóndj. Bóntj en blaw. Mèt vastelaovendj zeen t’r bóntje aovendje. Van boeave bóntj en van ónger stróntj: meer willen lijken dan je bent. Zich bóntj verkleie.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
bont , bóntj , (onzijdig) , bont , Bóntj kóns se allewiel mèt good fetsoen neet mieë(r) drage.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
bont , bónjtj , zelfstandig naamwoord , bónjtje , bont, veelkleurig
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
bont , bónjtj , bont, pels
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
bont , bôntj , boont , bijvoeglijk naamwoord , eerste vorm Nederweerts, Ospels, tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); bont
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
bont , bont , van bove bont, van ondere stront, dit wordt gezegd wanneer iemand wel netjes is aangekleed, maar erbij loopt met ongepoetste schoenen
Bron: Grauw, Sibrand de en Gerard Gast (2014), ABC Dordt. Dordtse woorden en uitdrukkingen, dialect, verhalen en versjes, gedichten en straattypes, Asaprint Uitgeverij, Dordrecht.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal