elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: boomloper

boomloper , boomluepr , zelfstandig naamwoord, mannelijk , boomlueprs , boomlueprken , eekhoorn
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
boomloper , boumluiper , mannelijk , boumluipesj , boumluiperke , boomkruipertje, Certhia brachydactyla.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
boomloper , boümlueper , zelfstandig naamwoord mannelijk , boümluepers , boümlueperke , boomkruiper , VB: 'nne boümlueper ês 'n hil sjoen vuügelke.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
boomloper , baumluiper , zelfstandig naamwoord , baumluipers , baumluiperke , boomkruiper (Certhia brachydactyla)
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal