elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: boterbloem

boterbloem , boterbloem , voor paardebloem.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
boterbloem , bòtterblôme , (vrouwelijk) , boterbloem, ranunculus acer.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
boterbloem , buatterbloume , vrouwelijk , buatterbloumen , buatterblöumtien , boterbloem
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
boterbloem , bótterbluumke , o , boterbloempje.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
boterbloem , booterbloum , vrouwelijk , booterbloume , booterblömke , boterbloem, Ranünculaceae.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
boterbloem , botterbloeme , boterbloem.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
boterbloem , botterbloem , de , boterbloem, Ranunculus De heile gruinkampe stun vol botterbloumen (Bov)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
boterbloem , bòtterbloem , boterbloem.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
boterbloem , botterbloeme , zelfstandig naamwoord , de 1. boterbloem 2. dotterbloem 3. madeliefje
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
boterbloem , butterblom , zelfstandig naamwoord , butterblomme , butterblommechie , boterbloem
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
boterbloem , boëterblom , zelfstandig naamwoord vrouwelijk , boëterblome , boëterblomke , boterbloem , VB: Vreuger, wie nog geng hoézer ién 't Brook sjtoûnge, wäor 't mer boëtyerblomme wats te zaogs.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
boterbloem , bôtterbloem , boterbloem
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
boterbloem , botterbloeme , (zelfstandig naamwoord) , boterbloem.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
boterbloem , botterbleumpies , speenkruid (ranunculus ficaria).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
boterbloem , botterbloem , boterbloem, botterbloeme , 1. boterbloem (ranunculus); 2. gele plomp (nuphar lutea); 3. dotterbloem (caltha palustris); lange botterbloeme, scherpe boterbloem (ranunculus acris).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
boterbloem , bótterbloom , (vrouwelijk) , boterbloem
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
boterbloem , boterbloom , boeëterbloom , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , boterblome/boeëterblome , boterbleumke/boeëterbleumke , eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); boterbloem
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
boterbloem , bótterblaom , boterbloem
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal