elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bouten

bouten , boute , boutde, haet gebout , bargoens: ontlasten.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
bouten , boute , werkwoord , bout, boutte, gebout , 1. [O] slachten en er bout van maken We zelle dien haon maor vetmeste en boute We zullen die haan maar vetmesten, slachten en er bout van maken 2. schijten
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
bouten , boute , werkwoord , boutj, boutdje, geboutj , poepen
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
bouten , bouten , zijn behoefte doen
Bron: Oudenaarden, Jan (2015), Wat zeggie? Azzie val dan leggie! Aspecten van het dialect van Rotterdam, Rotterdam.
bouten , boute , boutde – gebout , schijten
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal