elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bovenste

bovenste , bovenste , voor: beste, edele, voortreffelijke; alderbovenste, ook: alderbovenste beste = zoo voortreffelijk mogelijk, in zijne soort, van menschen en vee gezegd; bovenste ook: de eerste op de rij van de koeien die op stal staan, altijd van het bovenhuis af gerekend; bovenste ber = het bed dichtstbij den haard; het andere noemt men: achterste ber. Drentsch bovenste best, Neder-Betuwsch boves besz = allerbest, opperbest; Zeeland bovenst, bovest = uitstekend; Friesch: Dat is fen ’t boppeste boerdtsje (het allerbeste, allerfijnste, allerlekkerste). Holsteinsch: dat is vunt böverste boort, (Nederlandsch van de bovenste plank) = van het bovenste vak = dat is eerste kwaliteit.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
bovenste , bäövesjte , bovenste, zie ook: äövesjte.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
bovenste , boverst , boverste, bovenst, bovenste , zelfstandig naamwoord , et; bovenstuk: van een jas, een bloesje: kledingstuk voor vrouwen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
bovenste , baovenste , (bijvoeglijk naamwoord) , bovenste.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
bovenste , [bovenste] , buuevelste , bovenste , Doe bès de buuevelste bèste vanne ungelste plank.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
bovenste , buëvelste , bovenste
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
bovenste , beuvelste , zelfstandig naamwoord, onzijdig , (Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels) bovenste
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
bovenste , boeëveste , boveste , bijvoeglijk naamwoord, zelfstandig naamwoord, manlijk/onzijdig , eerste vorm Weerts (stadweerts); tweede vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; bovenste
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal