elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: braad

braad , broa , stuk rundvleesch uit de korte ribben. Overijselsch bra = gebraad, een stuk rundvleesch dat bij de slacht afgezonderd wordt om voor het slachtmaal gebraden te worden. Oostfriesch brade, brâ, alsook: mörbra, hâsenbrâ, rinderbrâ; Nedersaksisch braden, braen, braad. Zegswijs: an de broa zitten, fig. zooveel als: die dicht bij ’t vuur zit warmt zich het best. Vgl. runderbroa.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
braad , brao , (mannelijk) , geen meervoud. Gebraad. Een groot stuk vleesch, waarop de familie tijdens de slacht genoodigd werd. Wî mot margen aovend bî de bü̂rman op de brao. Gron. brao, stuk rundvleesch uit de korte ribben.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
braad , brao , (mannelijk) , geen mv. Gebraad. Een groot stuk vleesch, waarop de familie tijdens de slacht genoodigd werd. Wî mot margenaovend bî de bü̂rman op de brao. Ook: schrijftafel, bureau. Gron. brao, stuk rundvleesch uit de korte ribben.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
braad , brao , braadstuk
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
braad , broa , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , rooster van draad met handvat en pootjes, om iets boven ’t vuur te braden
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
braad , braatsj , mannelijk , braatsje , braetsjke , beschadigde plek; kletstante. ’n Groote braatsj oppẹn erm gebrent: een flinke brandplek op de arm. ’n Braatsj oppẹ paort: een beschadigde plek op de poort, ’n Gėkke braatsj van ẹ vroumisj: een gekke kletstante.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
braad , braoj , deel van de huisslacht dat werd weggegeven.
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.
braad , [gebakken aardappelen] , braojkes , gebakken aardappelen , braojkes meej gebakke spek = gebakken aardappelen met gebakken spek-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
braad , braoj , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , braoje , vrouw, dikke
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
braad , braoje , (meervoud) (Nederweerts, Ospels) kuiten
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal