elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: braamstruik

braamstruik , breemesjtroek , mannelijk , breemesjtruuk , breemesjtruukske , braamstruik, Rubus fruticosus.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
braamstruik , braomelestruuk , doornige struik die vooral op de heide en in de duinen en langs bosranden voorkomt; vruchten zijn eerst groen, dan rood en als ze rijp zijn zwart.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
braamstruik , brummelstruke , braamstruik
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
braamstruik , brummelstruke , brommelstruke , zelfstandig naamwoord , de; braamstruik
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
braamstruik , bremstrùìjk , braamstruik
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal