elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: brandklok

brandklok , branjtklok , vrouwelijk , branjtklokke , brandklok: klok, die in het verleden geluid werd, als er brand was, als teken voor de burgers, dat ze met hun blusmateriaal hulp moesten verlenen.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
brandklok , brandklok , de , brandklok De braandklokke wordt elud (Die)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal