elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: brassen

brassen , brösken , (Goorecht) = zwetsen, pochen, snoeven. Vgl. broasken.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
brassen , broasken , grootspreken, bluffen en daarbij hard roepen. Oostfriesch bräsken, Middel-Nederduitsch brâschen, brâsken, brêschen; Noordfriesch braaske, braske = alarm maken, sterk roepen, schreeuwen; Nedersaksisch braasken, van het buitengewoon gebulk van vee gezegd, en fig. voor: razen, tieren, leven maken, Deensch braske = te luid spreken, schreeuwen; Mecklenburgsch braasch = razend, scheldend, vloekend; Holsteinsch bräsig = trotsch. Vgl. het Nederlandsche brieschen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
brassen , bratzjele , bratzjelde, haet of is gebratzjelt , mengen; knoeien; stoven. Gėt óngerein bratzjele: op slordige wijze mengen; met weinig toewijding en kennis van zaken eten bereiden.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
brassen , brasse , knoeien , Zit'ter toch nie zó te brasse meej dé sliik, strak moet ik al'lew kliir wir waase. Zit er toch niet zo te knoeien met die modder, straks moet ik al je kleren weer wassen.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
brassen , brasse , feestvieren
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
brassen , brasse , met eten knoeien
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
brassen , brasse , werkwoord , knoeien (Helmond en Peelland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
brassen , brasse , werkwoord , brasj, braszje, gebrasj , morsen, knoeien
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
brassen , brasse , zwak werkwoord , brasse - braste - gebrast , knoeien, morsen; C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978): BRASSEN onov.ww - morsen, knoeien, vooral aan tafel (zie blz. 79-82)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal