elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: brobbel

brobbel , bórbel , mannelijk , bórbele , burbelke , puist of bobbel.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
brobbel , brobbel , zelfstandig naamwoord , de 1. waterbel, luchtbel 2. dikke en/of mooie vrouw, meid
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
brobbel , brôbbel, , zelfstandig naamwoord mannelijk , brôbbel,e , brubbelke , oneffenheid , VB: 't Iés zit voül brôbbele, v'r kênne neet sjerze.; puist brôbbel (vr.) (-e, brubbelke) VB: Ze gaans gezich zaot voül brôbbele.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
brobbel , bróbbel , zelfstandig naamwoord , bróbbels/bróbbele , brubbelke , puist, zweertje ook broebel, brozel
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
brobbel , bróbbel , zelfstandig naamwoord, mannelijk , bróbbel , brubbelke , puist(je)
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal