elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: broche

broche , bröske , v , broche.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
broche , bros , zelfstandig naamwoord de , Broche.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
broche , brosj , mannelijk, vrouwelijk , brosje , brösjke , broche.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
broche , bros , brosse , brossen , Ook brosse (Zuidwest-Drenthe, noord). Vaak verkl. = 1. broche Wat schittert de steinties in die bros mooi (Bov) 2. kort geknip haar, stekelbosje Hie hef een brossien, ik wil het ok bros knipt hebben (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
broche , [sieraad] , bröske , sierspeld.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
broche , bros , zelfstandig naamwoord , de; broche
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
broche , brossie , zelfstandig naamwoord , brossies , broche An d’r brossie kejje zien watter voorkant is Aan haar broche kan je zien wat de voorkant is (want borsten heeft zij niet)
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
broche , brosj , zelfstandig naamwoord vrouwelijk , brosjs , brösjke , halsspeld , (fr. 'broche') VB: M'n ma haw 'n brosj mêt allemaol van die roej pierelkes.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
broche , bros , bröske , sierspeld
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
broche , bröske , broche-je (sierspeldje)
Bron: Peels-Mollen, J. met werkgroep Weerderheem in Valkenswaard (Ed.) (2007), M’n Moederstaol. Zôô gezeed, zôô geschreeve. Almere/Enschede: Van de Berg.
broche , brùske , broche
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
broche , brosj , (vrouwelijk) , brosje , brösjke , broche, sierspeld
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
broche , broesj , zelfstandig naamwoord , broesje , bruusjke , broche; die vrouw mót zich ein broesj opstaeke – die vrouw heeft een broche nodig om duidelijk te maken wat de voor- en achterkant is (heeft geen of weinig boezem) zie ook cent, manj, medél, sjaâp
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
broche , brosj , bros , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , brosse , bröske , tweede vorm Nederweerts; sierspeld
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
broche , bros , broche
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal