elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: broed

broed , brud , brut, bröd , broed, broedsel, minachtend overgebracht op menschen, bv.: de hijle brud komt in ’t warkhoes = het geheele huisgezin wordt in ’t armhuis opgenomen; de hijle brud gait noa Oamerikoa. Hiervoor ook: brudje, brutje. Vgl. ten Doornk. art. brads, brats.
bröd voor: hoop, boel, massa; wie mouten moandag wasken en ’t is ’n dikke bröd.
brudje, brutje, boeltje; ’t hijle brudje = ’t heele boeltje, zoowel van menschen als van dingen gezegd, maar altijd met minachtende beteekenis.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
broed , bröd , onzijdig , brötte , broedsel (eerste, tweide bröd)
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
broed , broed , zelfstandig naamwoord ’t , Gebroed, broedsel. Vgl. Fries brod.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
broed , broet , bruut , zelfstandig naamwoord de/’t , (Mensen)drek (verouderd). Mogelijk is het woord verwant met broeden, hier in de zin van: wat in de vorm van uitwerpselen wordt uitgebroed. Daarnaast zou men aansluiting kunnen zoeken bij brui (in de betekenis van rommel), afleiding van bruien. Vgl. het N.E.W. onder brui. Dialectische variant bruut.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
broed , brui , mannelijk, vrouwelijk , bruie , een broedsel eieren. Gaef mich dao éns 'n brui eier van: geef me daar wat broedeieren van.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
broed , bröd , 1. aantal eieren waarop gebroed wordt. 2. toekomstige, jonge bijen, die nog in de raat zitten.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
broed , bröd , een broedsel eieren.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
broed , bruud , breud, bröd, brod, broed, brood , (Zuidoost-Drents zandgebied). Ook breud (Midden-Drenthe), bröd (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe), brod (Zuidoost-Drents zandgebied), broed (Zuidoost-Drents veengebied), brood (Midden-Drenthe) = broedsel in bijenkorf Slim bruud te vroeg gelegd broedsel, bijv. door warm voorjaar, dat door het terugtrekken van de bijen bij koud weer werd verwaarloosd en begon te rotten (Sle), Voel bruut ziekte bij bijen, veroorzaakt door de miet (Sle), Grof bruud raat met larven van darren (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
broed , bröd , (Gunninks woordenlijst van 1908) zie Gunninks woordenlijst van 1908: brödsel
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
broed , bruud , breud, breud, brud, bruj , zelfstandig naamwoord , et 1. broedsel, de eieren die tegelijk worden uitgebroed 2. bijenbroedsel
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
broed , brod , broedende kip of kip met kuikens.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
broed , breuj , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , breuje , broedkip
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal