elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: broeden

broeden , breun , broeden; zij hef ebröd = zij heeft gebroed.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
broeden , brûden , (zwak werkwoord) , ebròd , broeien.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
broeden , brouden , bruiden , broeden; brouden, brudt; bruiden, brödt, enz.; brödt ze? of: brudt ze? = moet zij in de kraam? alleen van getrouwde vrouwen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
broeden , breun , werkwoord, sterk , 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: brot, verleden deelwoord: ebrod , broeden
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
broeden , bruje , broeden. De kiep zât op d’r èîer te bruje De kip zat op haar eieren te broeden..
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
broeden , broede , werkwoord , in de zegswijze goed broede, goed onder de wol blijven, uitzieken.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
broeden , bruie , bruide, haet gebruit , broeden.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
broeden , bruu:je , broeden, op eieren zitten.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
broeden , breun , broeden.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
broeden , bruun , bruun, ebruud , broeden
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
broeden , bruun , bruden, breuden, breun, breuiden, bruiden , (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe). Ook bruden (Zuid-Drenthe), breuden of breun (Zuidwest-Drenthe), breuiden (Midden-Drenthe, Kop van Drenthe), bruiden (Kop van Drenthe, Veenkoloniën, Zuidoost-Drents veengebied) = broeden Wij hebt de klokkerd op de eier zitten te breun (Wap), (fig.) Die zit daor mar te breun, wat een zitterd traag persoon (Rui), Hie zit er op te bruun, hoe hij het hum betaald zal zetten denkt er diep over na (Bei)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
broeden , brujen , broeden.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
broeden , bruun , werkwoord , (Gunninks woordenlijst van 1908) 1. broeden van vogels; 2. peinzen
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
broeden , bruun , broeden. Kippm muttn drie wèèkn bruun veur de kuukns komp.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
broeden , bruuje , broeden , Dé veugeltje zit vaast te bruuje, we komme'ner èlk hónsgezéijk néffe, mér't bléft zitte. Dat vogeltje zit vast te broeden, we komen er geregeld langs, maar het blijft zitten.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
broeden , bruden , bruuiden, bruuien, brujjen, breuden , werkwoord , broeden, bebroeden
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
broeden , broeie , werkwoord , broei, broeide, gebroeid , broeden Waer zittien hen nou al zôô lang op te broeie? Waarop zit die hen nu zo lang al te broeden?; Gekipt en gebroeid Geboren en getogen Hij’s in de Hoeksche Waerd gekipt en gebroeid Hij is in de Hoeksche Waard geboren en getogen
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
broeden , breuje , werkwoord , breujde, gebreujd , broeden , VB: De mëlie zit te breuje op veer ejjer.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
broeden , brujje , broeden
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
broeden , broeje , broeden , Dôr zit unne mirrel te broeje óp vier èèjkes. Daar zit een merel op vier eitjes te broeden.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
broeden , breujen , (uit)broeden.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
broeden , broddeken , 1. op een hoop kruipen; 2. zich schurken; 3. broeden.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
broeden , breuje , werkwoord , breutj, breutjdje, gebreudj , 1. broeden 2. broeien
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
broeden , breuje , werkwoord , broeden
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
broeden , broeje , bruuje , zwak werkwoord , broeje - broejde – gebroejd , broeden; Dirk Boutkan: (blz. 24) 'bruje' = broeje (geen umlaut wegens volgende j); - korte oe; Cees Robben: de gaans zaat te broeje; et bisje ha gebroejd; de ènd ging ònt broeje; WBD III.4.4:12 'broeilucht', 13 'broeierige lucht' = lucht die onweer en regen voorspelt; WBD III.4.4:31 'broeierig, broeiend weer' = benauwd weer; WBD III.1.4:18 'broeden' = in het geheim uitdenken; Goemans, Leuvens taaleigen (1936): BROEDEN - bruje wkw. (brude, gebrut); broeden; WBD bruuje (Hasselt) - broeden, op eieren zitten; B bruuje - bruujde - gebruujd; ik bruuj, gij/hij bruujt; Cees Robben – ’t bruujt rontelom... (19570309); J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BRU(D)EN - broeden, Fr. couver. Daar bruudt iet.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal