elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: brokkelen

brokkelen , brökkele , brökkelde, haet of is gebrökkelt , brokkelen.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
brokkelen , brokkeln , zwak werkwoord, overgankelijk , brokkelen Körstebrij wordt maakt deur een plak stoete in de heite malk te brokkeln (Bco), (fig.) Die hef heel wat in de melk te brokkeln te vertellen (Hol)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
brokkelen , brokkelen , werkwoord , 1. brekend tot stukjes maken 2. in stukjes uiteenvallen, breken
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
brokkelen , brokkele , werkwoord , brokkel, brokkelde, gebrokkeld , breken; Hij heb nie veul in de mellek te brokkele Hij heeft niet veel invloed op de besluitvorming
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
brokkelen , brökkele , werkwoord , brökkelde, gebrökkeld , afbrokkelen , breken (in stukjes breken) brökkele VB: 't Broed brökkele en daan de sjtökskes soppe.; brokkelen VB: De mik brökkele en ze daan ién 'nne koomp werm mèilk doén
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
brokkelen , brokkele , (meervoud) broodbrokken
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal