elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: dader

dader , daeder , daader , mannelijk , daedesj/daadesj , dader. Al plèite en van den daeder gei sjpaor: alles is verdwenen en van de dader is geen spoor.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
dader , daoder , dader.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
dader , daoder , zelfstandig naamwoord , de; dader (van een misdrijf e.d.)
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
dader , daeder , zelfstandig naamwoord , daeders , daedertie , dader Aster vroeger een moord gebeurd was vonge ze d’n daeder nooit Als er vroeger een moord gepleegd was vonden ze de dader nooit
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
dader , daoder , (zelfstandig naamwoord) , dader.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal