elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: dagwerk

dagwerk , dagwerk , eene hoeveelheid turf, houdende 40 stok, de veenstok ter lengte van 9 voet. Oudtijds ook maat van grasland. Gron. dagwark, maat voor lange turf, steekturf. Voorheen 9000 stuks, thans van zeer harde turf 8640, van lichtere soorten omstreeks 6000 stuks. In de Ommelanden rekent men een dagwark op 6 voer = 12 wagenvrachten of zoogenaamde halve voeren (drie turven boven de ledders) = 36 korven, de korf 20 turven. In ’t Westerkw. is een dagwark = 100 kub. Meter, elk van 100 turven; te Zevenhuizen telt de wisse 128 stuks; te Stads-Kanaal is een dagwerk = 40 stok = 80 ton, de ton = 100 lange turven. In Friesland rekent men ook de baggerturf bij dagwerken; in Overijs. is een dagwerk = 240 ton.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
dagwerk , dagwark , dagwerk , in geschrifte dagwerk, maat voor lange turf, steekturf. Voorheen rekende men het dagwark op 9000 turven; thans telt het van zeer harde turf 8640, van lichtere soorten omstreeks 6000. In de Ommelanden rekent men het dagwark op 6 vouer (voer) = 12 wagenvrachten of zoogenaamde halve voeren, nl. met drie turven boven de ladders en = 36 korven = 18 Hectol., de korf op 20 turven geschat. In ʼt Westerkwartier is een dagwark = 100 Kub. meter, elk van 100 turven; te Zevenhuizen telt de wisse 128 turven; te Stads–Kanaal = 40 stok = 80 ton, de ton = 100 lange turven; in Drente 104 Kub. meter op een dagwark = 40 stok = 12000 stuks. In Friesland rekent men ook de baggerturf bij dagwerken; in Overijsel is een dagwerk = 240 ton. In Oost–Friesland is dagwerk ook eene landmaat; Nedersaksisch, Holsteinsch dagwark hooi = zooveel hooi als één man in één dag afmaaien kan. Ons dagwark eigenlijk een werk dat eenʼ geheelen dag arbeids vereischt, dus: eene hoeveelheid turven die op éénen dag door éénen man kunnen gestoken worden. – Zegswijs: asʼk dat doun wōl har ʼk wel dagwark, ook elders, en waarvoor ook: den kōn ʼk wel an de gang blieven, en zooveel als: daartoe ontbreekt mij de tijd.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
dagwerk , dagwerk , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , Zie de wdbb. – Zegsw.Dagwerk hebben, de gehele dag werk hebben, voortdurend bezig moeten zijn.|| As ik dáármee beginnen wou, dan had ik wel dagwerk (daar kwam geen eind aan). Er is niks lastiger, as dat je dagwerk hebbe met de broek of (last van diarrhee hebt). – Ook als landmaat, 400 □ roeden; oorspronkelijk zoveel land als men op één dag bewerken (d.i. maaien) kan. Hetz. als deimt; zie aldaar. Vele boeren laten nog maaien bij dagwerk. || Een Koeweyde of een Dagwerk groenland is 400 roeden, Advers. Oostwoud, f° 285 (einde 18de e). – Ook in de naam van stukken land onder Oostzaan. || De drie dagwerk op Pieter van Bergen-sloot. De zes dagwerk.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
dagwerk , dagwaik , onzijdig , dagwerk, maat voor hooiland: 200 meter in een veeräkker
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
dagwerk , dagwoark , zelfstandig naamwoord, onzijdig , dagwoark , 32 are
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
dagwerk , dagwaark , (ouderwets), bepaalde hoeveelheid turf
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
dagwerk , dagwerk , zelfstandig naamwoord ’t , in de zegswijze dagwerk hewwe, de hele dag druk werk hebben. – Ik wou da’k er dagwerk van had, gezegd van werk dat men graag doet of van werk dat goed betaald wordt.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
dagwerk , daachwerk , onzijdig , dagwerk.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
dagwerk , dagwerk , 1. lett: werk voor één dag. 2. fig.: tijdrovend werk.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
dagwerk , dagwerk , tijdrovend werk; * doar he’j dagwerk an: daar ben je heel lang mee bezig.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
dagwerk , dagwark , het , 1. dagwerk, hoeveelheid, die men in één dag kon be- of verwerken Wij hebt een dagwaark edorst, dat is 12 leggen (Rui), Een dagwark dörsen is 26 leggen (Hijk), ...20 leggen (sa:Rui), Een dagwark zudden steken is 2000 zudden (Eex), Dennen hef nog twie dagwark grös lösliggen (Pdh), als landmaat Een aold dagwark was 66 are, non is het een half bunder (Sle), Een dagwaark was ⅔ ha (Dwi), Een groot dagwark was 60 are, een klein 50 are (hy:Scho) 2. (veend.) de hoeveelheid turven, die een ploeg van 5 à 6 personen in één dag verwerkte. ‘Een dagwark was dan 50 stok turf. Grote maat ong. 10.000, kleine ong. 14.000. Grote turf 40 à 50 m3, kleine zo om de 28 - 30 m3’ (Eri), Een dagwark was veertienduzend (Schn), ...10.880 törven (Veenkoloniën), ...11.250 (Klv), ...50 stok (Bco, Klv), ...50 stok of 15.000 turven (Coe), ...49 stokken (Dro, Odo), ...40 stok (Nor) ...25 stok (Eli), ...7 à 8000 (Bor, Bui), ...50 m² droog (Ros), ... 50 x 280 = 14000 turven (Hgv), ...dat is 7 à 8 duzend (Bui), zie ook dagmaot
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
dagwerk , dagwark , dagwaark , zelfstandig naamwoord , et 1. werk dat men in een dag verricht, dagtaak 2. arbeid die een hele dag vult 3. het werk dat in één dag verricht wordt, kan worden, als oppervlaktemaat 4. productie/verwerking door één persoon op een werkdag, nl. als maat (in de veenderij, in de bouw)
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
dagwerk , dagwärk , (zelfstandig naamwoord) , dagwerk. Döör ku-j dagwärk an ebben.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal