elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: danig

danig , danig , voor veel, zeer of sterk. Het wordt ook wel als een bijv. nw. gebruikt, bijv. ik had eenen danigen dorst.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
danig , daonig ,  bijwoord , zeer, geducht, buitengewoon; daonig in de wier = geducht in de war; daonig de les lezen; ook Gron. Friesch. Overijs. N.Brab. ZHoll. – Oostfr. dane, döne, Hamb. dannig = sterk, vermogend, krachtig. (v. Dale heeft: danig, bijw. = buitengewoon, zeer; Weiland beschouwt het als achtervoegsel; in allen gevalle zal het komen van doen, en voorkomen in: zoodanig, en: dusdanig.)
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
danig , daonig , (bijwoord) , vrij wat, zeer.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
danig , däonig , (bijwoord) , vrij wat, zeer, ze bunt däonig an ’t kwachelen, zij zijn daar zeer aan het sukkelen.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
danig , danîg , doanîg , bijwoord van versterking: ʼt muit mie doanig = het spijt mij geweldig; hijʼs doanîg verlegen = in groote verlegenheid; doanig zijk wezen = erg ziek zijn; heur doanig lijf hebben = haar innig lief hebben. Ook alleen: ʼt is doanig = ʼt is in ʼt groote = ʼt is gansch bijzonder, buitengewoon. Drentsch daonig de les lezen; Friesch danig = veel, zeer, bv. danige mooi, het deed mij danige nij (het benieuwde mij zeer); Overijselsch, Noord-Brabant danig = zeer, veel, sterk; Zuid-Holland daonig = erg; Maastrichtsch daonig = zeer, uitermate; Zuid-Nederlandsch, West-Vlaamsch wordt dagelijks gebezigd. (De Bo) danig = geweldig, zeer veel, zeer groot, uitermate; ik heb danigen honger, het duurt danig lang; danig duur, neerstig, enz.; danig luid zingen, enz. Oostfriesch dane, döne, Hamburgsch dannig = sterk, vermogend, krachtig. (Weil. noemt: danig, een uitgang; bij v. Dale: danig, bijwoord = buitengemeen, zeer. Bij Schimmel: waarom was die beitel zoo danig afgedwaald? – Toch meenen wij het woord niet als echt Nederlandsch te mogen beschouwen. Swaagman denkt aan eene afkorting van het Nedersaksisch averdanig, bv. een averdanig mensch = een mensch die meer doet den hij behoeft te doen (bij de Gelderschen een overdoensk mensch), en: overdadig, wat buiten de maat gaat, meer dan geoorloofd is, bv. een verkwister of te goedgeefsch mensch; averdanig groot, rijk, ziek, enz.) Het woord zal in allen gevalle tot: doen moeten gebracht worden.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
danig , daonig , Danig, zeer. ’t Is van dage daonig heite ewest. D(i)ee menschen bint daonig an de sükkel; altît ister (i)eene z(i)eek. De dronkende kérel ging daonig te keer. W.-Vl. danig, zeer veel, zeer groot, uit de mate (de Bo).
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
danig , daonig , Danig, zeer. ’t Is van dage daonig heite ewest. D(i)ee menschen bint daonig an de sükkel; altît ister (i)eene z(i)eek. De dronkende k(i)eerel ging daonig te k(i)eer. W.-Vl. danig, zeer veel, zeer groot uittermate (de Bo).
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
danig , doaneg , bijwoord , terdege
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
danig , daanich , danig.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
danig , daonig , bijwoord , erg Het spiet mij daonig (Dwi), De wagen was daonig beschadigd (Hgv), Het hef daonig esneid (Hol), Hie is ter daonig of, ...daonig an toe erg ziek (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
danig , daonig , danig. Gunninks woordenlijst van 1908: IJ ef ’t dik en daonig te pakken ‘hij is ernstig ongesteld’
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
danig , daoneg , danig. Hie hef der daoneg van langs ehâd met die ziekte.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
danig , daonig , bijwoord , danig: zeer, in hoge mate
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
danig , daeneg , bijwoord , danig Ze hat ‘t daeneg te pakke Ze had het danig te pakken
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
danig , daonig , (bijwoord) , danig.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal