elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: darren

darren , darre , werkwoord , Treiteren, vervelend zijn of doen. Vgl. Van Dale.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
darren , darre , doosj, haet gedoosj , durven, wagen.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
darren , darren , zwak werkwoord, onovergankelijk , (Zuidwest-Drenthe, zuid) = wiebelen Staot toch niet zo hen en weerden te diedeln, ...te darren (Ruw)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal