elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: deemsteren

deemsteren , deemstere , werkwoord , Schemeren, donker worden (verouderd). Vgl. Duits dämmere.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
deemsteren , deemere , deemerde, haet gedeemert , schemeren. Et deemert mich veur de ouge: ik voel mij onwel worden.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
deemsteren , deemstere , deêmere , werkwoord , tweede vorm Ospels; schemeren
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
deemsteren , démsere , stuiteren met een balletje
Bron: Grauw, Sibrand de en Gerard Gast (2014), ABC Dordt. Dordtse woorden en uitdrukkingen, dialect, verhalen en versjes, gedichten en straattypes, Asaprint Uitgeverij, Dordrecht.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal