elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: deftig

deftig , däftig , deftig
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
deftig , dàfteg , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , 1 aanzienlijk, 2 bw. In flinke mate. n dàftig spil, een voornaam huishouden; ne heele dàftegaejd, een op ’t oog aanzienlijke dame
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
deftig , deftich , deftigger, deftichste , deftig.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
deftig , deftig , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , deftig Het was daor een deftige bool, de vrouwlu waren allendonder in het lang (Hijk), Wat prat dei man deftig (Bov)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
deftig , déftig , bijvoeglijk naamwoord , deftig , VB: Op 't kesjtiel woent 'n hil déftig koppel.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal