elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: degelijk

degelijk , deegelik , deegelikker, deegelikste , degelijk.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
degelijk , degelijk , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , degelijk Het is een degelijk huus, woor ze wonen (Erf), Het is een degelijke jong (Row), Het is een degelijk stukkie wark (Exl), Hij hef er wal degelijk met te maken (Wes)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
degelijk , degelijk , degelijk
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
degelijk , deeglek , terdege, met kracht. Hie hef der deeglek achterhen ezèètn dât ’t wârk op tied ofkwam.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
degelijk , degelik , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , degelijk: deugdelijk, sterk en betrouwbaar, van personen: betrouwbaar en flink
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal