elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: dennenbos

dennenbos , dannenbosch , dennenbosch.
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
dennenbos , dennebósj , mannelijk , dennebusj , dennebusjke , dennenbos.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
dennenbos , dennenbos , dennebos , (Zuidoost-Drents zandgebied), Ook dennebos (Zuid-Drenthe, Noord-Drenthe) = dennenbos Met die störm is de hiele dennenbos umwèeid (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
dennenbos , dennebos , zelfstandig naamwoord , de; bos van sparren
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal