elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: des

des , des , zie: tegen des.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
des , des , alleen in het spotrijmpje: "’t (Hoedje, jasje, enz.) des / Van lik me ves!" (dat is me ook het hoeje wel). – Des is hier wellicht de 2de naamv. van het aanwijzend voornaamwoord dat, expletief gebruikt op soortgelijke wijze als in: ’t is nietes (niet des), ’t is welles; vl. Mnl. Wdb. II, 75. ’t Is ’t hoedje des van lik me ves zal wel op te vatten zijn als: wat dat hoedje betreft, ’t is een hoedje van lik me ves. De bet. van ves is niet duidelijk. Het kan toch niet wezen Fra. fesse, bil? Likken staat ook in andere dergelijke verbindingen. Dat het is afgekort uit vest is onwaarschijnlijk; dergelijke wegwerping van een t is zo al niet ongehoord, dan toch uiterst zeldzaam aan de Zaan. Thans denkt men hierbij echter aan vest; ook in verkl. van lik me vessie.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
des , dės , des. Dėste baeter: des te beter.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
des , des , in des te zoveel te (minder, beter, groter enz.)
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
des , des , voegwoord , daarom , des VB: des hoëp ich dats te 't noets mie dèis.; maar des VB: V'r lepe van tien oor sjmuerges tot zês oor saoves, des woerd dry kier gerös.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal