elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: e

e , [achtervoegsel] , e , Achtervoeging van dezen klinker: keerse, henne (hun), waarumme (waarom), snoete, kante, piene, beurte, poeste,(puist), voote (voet), deure, keerse, kachelpiepe, peerdestaldeure, enz. Niet achter onz. znw. behalve: ooge.; het Drentsch neemt den onz. geslachtsvorm nauwkeurig in acht. Onregelmatig blijft het aannemen der e bij vele woorden: niet: bakke, wèl slakke; niet: boome, maar wèl: staarte, snoete, kloete, stoete.(In ʼt Old. Westerw. (Gron.) heeft deze toevoeging alleen achter znw.: deure, tange, katte, vlinte, röte, lampe enz. plaats). Voorts nog achter vele werkw.: ik roepe, zinge, schrieve, denke, ligge, enz. Ook achter sommige bvnw.: he gruit scheeve; he löp lange; ooze kat is bange; dat touw is dikke, enz. Achter andere rededeelen: waorumme, ditte, datte, watte?
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
e , ij , Deze klank wordt in ’t Oldampt, Westerwolde, ’t Goorecht en ’t grootste deel van Fivelgoo helder uitgesproken; in Hunsegoo trekt hij naar ai, in ’t Westerkwartier meest naar ei, maar houdt daar soms het midden tusschen ai en ui. Waar wij ij (’t Hoogeland ai) zouden schrijven heeft het Nederlandsch daarvoor: ee, e, ie, eeu, ieu, ei: algemijn (algemeen); allijn, allijne (alleen); blijken (bleeken, zelfstandig naamwoord en werkwoord); brijd (breed); bijsten (beesten); bijnen (beenen); dijg (deeg); dijlen (deelen, en: delen); fêrwijl (fluweel); gijn (geen, geene); gemijn (gemeen); gemijnte (gemeente); gerijdschōp (gereedschap); hijle (geheele); hijlen (geheelen); hijlen (heelen, werkwoord); hijten (heeten); hijm (heem); hijstêrg (heesch); houwijl (houweel); Jijzês (Jezus); jijmenie (jemenie); klijden (kleeden, werkwoord en zelfstandig naamwoord); kijêrn (Stad-Groningsch = keeren); klijêrn (kleeren); lijd (leed); lijde oogen (leede oogen); lijm (leem); lijnen (leenen); Lijr (Leer); mijst, mijnst (meest); mijnen (meenen, en: meening); nijten (neeten); oawijlen (aweelen); oordijl (oordeel); oordijlen (oordelen); pêrbijêrn (probeeren); planijten (planeten, horoscoop); prieijls (prieelen); rijden (reeden); rijder (reeder); schijf (scheef); stijnen (steenen): twijling (tweeling); tijmend (temend); tijken (teeken, en: teekenen); verkijêrn (Stad-Groningsch, verkeeren); vlijs (vleesch); vlijzîg (vleezig); vrijde (wreede, harde); wijken (weeken); ijden (eeden); wijten (weten); ijne (eene); ijngoal (egaal); IJbel (geschreven Ebel); ijnig (eenig); ijêrn, als uitgang voor: eeren, in: regijêrn, hantijêrn, spandijêrn, komdij o wij! (o wee!); zijp, zijpe (zeep); swijten (zweeten), enz. – brijf (brief); bijden (bieden); bedrijgen (bedriegen); bijr, bijre (bier); dijf (dief); dijnen (dienen); dijp (diep); dijr, dijer (dier); gijten (gieten); Grijtje (Grietje); hovenijr (hovenier); kijzen (kiezen); lijf (lief); lijd (lied); lijgen (liegen); nijt (niet); nijmand (niemand); pêlzijr (pleizier); pijk (piek); prijm (priem); Pijter (Pieter); rijm (riem); schijten (schieten); spijgel (spiegel); stijfvoader, enz. (stiefvader, enz.); strijmen (striemen); verdrijt (verdriet); verlijzen (verliezen); vijr, vijer (vier); vlijgen (vliegen); wijg (wieg); wijgen (wiegen); wijden (wieden); wijl (wiel); zijl (ziel); zijk (ziek); enz. – lijverke (leeuwerik); mijven (meeuwen); lijven, lijwen (leeuwen); zijsen (zeeuwschen); ijvîg (eeuwig); ijw (eeuw), enz. – nijs (nieuws); nijsgierig (nieuwsgierig), enz. – ijgen (eigen); ijgendōm (eigendom); ijgenliek, ijgentliek, ijnlieks (eigenlijk); ijken (eiken); klijn (klein en dun), enz. hij, zij, bij, mij, wij klinken te Groningen gerekt, eenigszins naar aai trekkende.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
e , e , (onvolkomen), gerekt tot ei, vóór de n gevolgd door je; heinje (hennetje); peinje (pennetje); kein je (ken je = kunt gij); wein je (wen je = gewend gij); Feinje (Fenje); Meinje (Menje); Beinjamin (Benjamin), enz. Vgl. a 6.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
e , ee , e , (open e). Woorden, ook de afleidsels en samenstellingen, die dezen klank met het Nederlandsch gemeen hebben: besje, beker, beter, beef, en: beven, beek, en: beken, beeld, en: beelden, beeldêrg (= beelderig), beer, en: beren, bejegen (= bejegenen, en: bejegening), beleefd, beleven; bleef, en: bleven; breek, en breken; Bremen, Bremer, enz. –
dee (= deed); deeën (= deden); deel, en: delen; dreef, en: dreven, (werkwoord) van dreiven (= drijven); degêlk (degelijk).
edel; eer; eeren; eerlîk (eerlijk); eet, en: eten; eern (bijwoord en bijvoeglijk naamwoord), edîk; evangelie.
feest, feeks.
gedwee; geel, en: gele; geep, en: geepen; geer, geeren; greep, en: grepen (zelfstandig naamwoord en werkwoord); gevel; gleden (van glijden); genezen.
heer, en: heeren; heester, hekel, en: hekêln; helen, heelde, en: heler; hemel.
jenever.
keef, en: keven; keel, en: kelen; keer, en: keeren (ww); keet, en: keten; kegel, en: kegêln; kerel, kleven, kreet van: krieten = krijten; kregen; kneep, en: knepen, (zelfstandig naamwoord en werkwoord), ketel.
leer; leeren; lepel; leven; levendîg; lezen.
meel; meer; mees, en: meezen; meester; meet, en: meten; meter; mee (meede).
neet, en: neten; negen; nevel; nee (= neen).
oneven.
peer, en: peren; preek, en: preeken (zelfstandig naamwoord en werkwoord); prees, en: prezen; (= prezen, en: geprezen); prevêln; pekel; plegen.
reep (strook), en: reepen; rees (van: riezen = rijzen), en: rezen; reet, en: reten (zelfstandig naamwoord en werkwoord); regel; regêln; regels; regen (= regen, en: regenen); rekel; reken (= rekenen, en: rekening); reven; reden.
scheepskaptain, enz; scheerboas, enz.; schepen; scheren; scheel; sedert; slee (= slede); sleet, en: sleten; slepen (= sleepen, en: slepen); smeet, en: smeten; smeer; smeren; smerig; spleet, en: spleten (zelfstandig naamwoord en werkwoord); steek, en: steken (zelfstandig naamwoord en werkwoord); stee; stelen; streek, en streken; steven; streep, en: strepen; streven, en: streefde, streefd; sweren (= zweren, eenen eed doen); speten (= gespeten); speen, en: spenen.
teef, en: teven; teer; telen; teren (ook = tering); tegen.
veer, en: veeren, en veren; verteren; vervelen (= vervelen, en: verveling); verweren; verweten (van: verwieten = verwijten); vlegel; vrede; vreef (= wreef, en: vreven = wreven); vrees; vreezen; vreten; veen, en: venen; verleden.
week, en: weeken; wereld. weef, en: weven; weer; wees, en: wezen, (van: wijzen = wiezen); wees, en: weezen; wegen; wezen (= zijn); wezenliek (wezenlijk).
zee, en: zeeën; zeef, en: zeven; zeel, en: zeels, en: zeelen; zeer; zegen; zeker; zeten (= gezeten); zevêrn (= zeeveren); zegen (= zegenen).
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
e , a , waar het Nederlandsch e heeft: arf (erf); arfenis, arfnis (erfenis); arg (erg); argern (ergeren); argernis (ergernis); art (erwt); arven (erven, zelfstandig naamwoord en werkwoord); bark (berk); barve (berrie); barg (berg); bargen (zelfstandig naamwoord en werkwoord); bedarven (bederven); bedarf (bederf); darde (derde); dartien (dertien); barm (berm, walrand); garst (gerst); harst (herfst); hart (hert); kars (kers); karstied (kersttijd); karsetied (kersentijd); karvel (kervel); karven (kerven); kaspel (kerspel); klap (klep); klark (klerk); mark (merk); en: (merg); parktje (perkje); parsen (persen); pars (pers); stark (sterk); swarm (zwerm, van bijen); en: (zwerver, voetzoeker); starven (sterven); plak (plek, plaats); swarven (zwerven); varf, varve (verf); varver (verver); vars (vers), en (versch); arg (erg); vervarsen (ververschen); vargen (vergen); verargern (verergeren); verarven (vererven); warf (werf); wark (werk); warken (zelfstandig naamwoord en werkwoord) (werken); warven, anwarven (werven); warvel (wervel); zark (zerk); zwarven (zwerven). Vgl. Garmt nevens Germt; Tjark, en ’t Friesch Tjerk; Jantje en Janneke en ’t Friesch Jenneke; voorts: bledder (tong), en blad; hart, en: hert; smart, en: smert; angst, en: eng; man, en: men; land, en: ellende, en: belenden; stang, en: steng; half, en: helft; handig, en: behendig; star, en: ster; barsten, en; bersten, enz. Zoo bij Kil.: allangskens, allengskens; argheren, ergheren; barm, berm; bargh, berg; barcke, bercke; garste, gherste; ghewald, gheweld; hachten, hechten; harfst, herfst; halft, helft; harcken, hercken; karmen, kermen; karspel, kerspel; kratsen, kretsen; marcken, mercken; tam, tem, enz. (Bij van Dale o.a. opharken, en: opherken; mark, en: merk; smart, en: smert; smarten, en: smerten; barnen, en: bernen; barnsteen, en: bernsteen; barst, en: berst, enz. – In’t Overijselsch is deze a zeer kort; het Hoogduitsch heeft a, i, of behoudt de e.) Op den regel, dat het Groningsch de onvolkomen a der Nederlandsche woorden behoudt, zijn slechts weinige uitzonderingen: brocht = bracht; bōrst = barst; och = ach, en: och; of = af; ōpsluut = absoluut.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
e , e , In ’t Oldampt en Westerwolde en ook te Groningen is de aanhechting der e, vooral bij niet onzijdige eenlettergrepige woorden, zeer algemeen; hetzelfde vindt in Drente plaats; bv: tōbbe, dobbe, kidde, bōdde, pōffe, mōffe, varve, doage, zoage, wijge, bakke, hakke, planke, wōlke, balle, molle, hole, kamme, koeme (kom), proeme (pruim), hoane, moane, panne, boone, stijne, liene, pōppe, piepe, doppe, koare (kar), pōrre (pad), vosse, dasse, misse (mest), busse, kiste, voeste, rötte, katte, putte, matte, latte, enz. Zoo zegt men ook: vreeselke sloaperg; aldernoarste verlegen; ieselke bliede; dichte bie. Als zelfstandig gebruikt men: tweicentse, dreistuverse, guldense, doalderse, enz. – Bolland zegt van het Stad-Groningsch o.a.: “Onzijdige woorden krijgen geene verlenging. Woorden in de schrijftaal vrouwelijk, bekomen verlenging. Uitzonderingen hierop: lus, mâid, maelk, mus, rouf, rut, saous, schuêr, steern, stup, stroup, taol; traon (van den walvisch). Ook de volgende manlijke woorden zijn uitzonderingen: aol, baord, baors, baos, bârg (gesneden varken en: berg); blöi, breif, buk, dag, dīk, douk, draod, ’eerd, eid, gröi, moud, muer, naod, nôd, ’ond, ’oud, pâlm, ploug, pôk, pris, roum, schou, smók, snouk, steert, tīd, törf, wīn, zeun. De bijvoeglijk naamwoord aenge, bange, lange, stille, vaste en zachte gaan altijd uit op den toonloozen klinker, zoo zij aan’t eind van eenen zin staan. Zeer scherp begrensd is het gebruik der toonlooze verlenging niet. In den loop van het gesprek wordt zij dikwijls onderdrukt om echter altijd uit te komen, wanneer het betrokken woord aan het einde eener zoodanige zinsnede komt, na dewelke de spreker even rust.” – In de Staten-Overzetting vindt men: keerse (kaars) Matth. 5: 15; plaetse, Eph. 4:27; duysternisse, Matth. 27:45; vs. 46 stemme; dede Luc. 6:3; vs. 5 sone, Heere; vs. 6 mensche, dorre; vs. 13 twaelve; vs. 22 name, wille; vs. 41, 42 ooge; vs. 28 dage; vs. 29 wange; vs. 38 mate; Hebr. 12:1 wolcke, loopbane; vs. 5 kastijdinge; vs. 19 basuyne, enz. Bij onze Ouden (15e en 16e eeuw) o.a. sliepe voor sliep; bleve voor bleef; vaste voor vast; quame voor kwam; wille voor wil; begonste voor begonst; begon. Dikwijls (niet altijd) voegden zij deze e achter zelfstandig naamwoord: vadere, rechtere, lichame, prekere, minne, brode, enz. Eveneens achter bijvoeglijk naamwoord, en voorts: icke voor ik; onse voor ons; ofte voor oft of of; dare voor daar; nene voor neen; ghenesins voor geenszins; anebeden voor: aanbidden; anesichte voor aanzicht; anegheleit voor aangeleid; isse voor is; datte, inne, vore, voortane, van stonden ane, ware, omme, ellevene, hetghenene, tovenaersse voor toovenaars. Omstreeks 1722 was men gewoon te spreken van: mensche, zoone, zonne, kroone, pijne, enz. Ook bij de Zeeuwen heeft deze aanhechting plaats, zoo noodig met verdubbeling van den medeklinker, bv.: mande, kerke, katte, matte, kasse, flessche, nichte, padde (een dier), balke, bedde, kloete, hemde, schute (schuit), in de krame. Bij de Vlamingen is die verlenging nog meer algemeen; zij zeggen ook: kunste, mijnheere, Dijkgrave, brouwere, enz. “De doffe e, die achteraan de woorden in overvloed bij ons gevonden is een dier overblijfselen der oudheid, die wij over het algemeen zoo weigerlijk bewaard hebben, kele, kole, enz.” (De Bo, art. e).
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
e , e* , 1: hierbij ook “Derk” = Dirk. Als curiositeit valt te vermelden, dat ik den gelatiniseerden geslachtsnaam “Andreae” door een Groninger gespeld vond “Andriai”!
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
e , , verleden en aanstaande. De veurige waek ẹ donderdich höb ich em noch gezeen en dees waek ẹ vriedich kom ich weier bie ẹm: de vorige week donderdag heb ik hem nog gezien en deze week vrijdag kom ik weer bij hem.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal