elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: eenoog

eenoog , einuiger , mannelijk , einuigesj , éénoog.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
eenoog , ienoog , de , eenoog *In het laand van de blinden is eenoog keuning (Die)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
eenoog , ienoge , zelfstandig naamwoord , de; eenoog: persoon of dier met slechts een oog
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal