elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: eigenaar

eigenaar , iegner , eigenaar, Gron. ijgender.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
eigenaar , ijgender , ijgner, aigender, aigener, aigenoar , eigenaar, nl. in de beperkte beteekenis van het beklemrecht (zie aldaar); zien ijgender woont in de stad; om Midwinter mout hij 200 gulden huur en twee geschenken an zien ijgender betoalen; onze ijgender wil de ijgendom wel verkoopen. Ommel. Landr. III, 109; IV 110,111: egener. Oostfriesch egener = eigenaar.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
eigenaar , eigenaar , aigender*, ijgener* , zie beklemrecht *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
eigenaar , eigenaer , mannelijk , eigenaesj , eigenaar.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
eigenaar , iegender , eigender, eigenaar, eigennaor , de , iegenders , (Zuidoost-Drents zandgebied, veroud.). Ook eigender (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe), eigenaar (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe), iegennaor (Zuidwest-Drenthe, Noord-Drenthe) = eigenaar Hij is de aigenaor van dit huus (Eco), Wel zul daor de iegender van wezen? (Sle), De eigender van die auto is naargens te vinden (Eex)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
eigenaar , eigener , zelfstandig naamwoord , de; eigenaar
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
eigenaar , aaigenaer , zelfstandig naamwoord , aaigenaers , aaigenaertie , eigenaar Wie iste aaigenaer van die rothond? Wie is de eigenaar van die valse hond?
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
eigenaar , èigener , zelfstandig naamwoord mannelijk , èigeners , - , eigenaar , (de laatste lettergreep is betoond) VB: 'r Ês èigener van e groet bedriéf wat 'r zelf hèt opgeboûwd.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
eigenaar , eigenaer , (zelfstandig naamwoord) , eigenaar.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
eigenaar , eigenieër , (mannelijk) , eigenieërs , eigenaar , Waem is de eigenieër van det hoes?
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
eigenaar , èègenèèr , zelfstandig naamwoord , eigenaar; Kees en Bart: eigenèèr; 'eigenaer'; 'huiseigenaers/-ners'; R.J. 'ègenaor', 'ègenèr' (blz.165)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
eigenaar , eigenaer , eigenaere , eigenaar
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal