elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: einzelgänger

einzelgänger , einselgènger , mannelijk , einselgèngesj , einselgèngerke , eenzelvig mens, solitair.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
Einzelgänger , [persoon die alles alleen doet] , einselgenger , (mannelijk) , (Duits) 1. persoon die alles alleen doet, sterk introvert 2. iemand die met carnaval in zijn eentje met de optocht meeloopt
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
einzelgänger , einselgenger , zelfstandig naamwoord , einselgengers , einselgengerke , 1. eenzelvig iemand, alleenstaande 2. iemand die in zijn eentje aan de carnavalsoptocht meedoet (Duits: Einzelgänger)
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal