elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: eraan gaan

eraan gaan , draangaon , góng draan, haet of is draangegange , eraan gaan; opmaken. Al geit ’t kėrke mit de kaole draan, kriege zal ich em: alles op alles zetten. Wooste aangeis, dat krump: waar je van gebruikt, wordt minder.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
eraan gaan , draon goën , werkwoord , feestvieren , (flink feestvieren) draon goën (zie 'gaan')
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
eraan gaan , draangaôn , draangaon , werkwoord , geit draan, ging draan, draangegange , 1. eraan gaan 2. ertegenaan gaan; hae ging draan wie Blücher – hij ging er fors tegenaan (Blücher was een generaal door wie Napoleon bij Leipzig werd verslagen)
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal