elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: ergerlijk

ergerlijk , [aanleiding gevend tot ergernis] , aergerliek , spijtig
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
ergerlijk , ergerlik , ergerlikker, ergerlikste , ergerlijk. Dat is ’n ergerlikke gesjichte: dat is een kwalijke zaak.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
ergerlijk , argerlijk , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , Var. als bij argern = 1. ergerlijk Het is argerlijk zoas die kèrel der deurhen zat te proten (Man), Het is argerlijk, zoas hij vluukt (Vle), Zien gedrag was ronduut argerliek (Flu) 2. spijtig (Zuid-Drenthe) Wat is dat een argerlieke boel een verdrietige zaak (Sle), Het is argerlijk dat ze gien ene te woorde steet (Pes), Dat de rogge zo liggen gaon is, is een argerlijk gezicht (Erm)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
ergerlijk , argerlik , aargerlik , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , ergerlijk, aanstotelijk
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal