elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: fabel

fabel , faabel , mannelijk, vrouwelijk , faabele , fabel.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
fabel , fäbeltie , 1. verzinsel; 2. fabeltje.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
fabel , fabel , faobel, faebel , fabels , (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe). Ook faobel (Noord-Drenthe), faebel (Zuidwest-Drenthe, noord) = fabel, verhaaltje Dat bint fabelties oet de aole tied (Bei), Dei man vertelt fabelties, most er niks van leuven (Bov)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
fabel , fäbel , faobel , (Gunninks woordenlijst van 1908) (Kampen) fabel. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: faobel (Kamperveen)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
fabel , faobel , zelfstandig naamwoord , de; 1. bep. vertelling, fabel 2. verzinsel
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
fabel , fäobel , zelfstandig naamwoord mannelijk , fäobele , - , fabel , VB: De fäobele van Jean de la Fontaine zién uüver de gaanse wèreld bekênd. Zw: Dè hynk van fäobele iénèin: het is een fantast; verzinsel fäobel VB: Dat ês mer faobel wat dè vertelt, dè hynk van faobele iénèin.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal