elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: familiair

familiair , familjaer , familjaerder, familjaerste , familiaar.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
familiair , femiliair , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , (Zuidoost-Drents zandgebied) = familiair Die is nogal femiliair onderhoudt familiecontacten, hoewel hij niet zeer nauw verwant is (Sle), Wat is die femiliair met Jan en alleman (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
familiair , fammeljaor , bijvoeglijk naamwoord , familiair, eigen Je mô niet te fammeljaor worre
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal